De Europese Rekenkamer publiceerde op 11 februari 2026 haar speciaal verslag 10/2026 over energiegemeenschappen. De ondertitel is al een bekentenis: "Een potentieel dat nog moet worden benut".
Het cijfer dat alles samenvat: de EU had zich in haar zonne-energiestrategie van 2022 ertoe verbonden dat elke gemeente met meer dan 10 000 inwoners tegen eind 2025 minstens één hernieuwbare-energiegemeenschap zou hebben. Begin 2025 zat ze aan 27,3 %. De Rekenkamer besluit dat de doelstelling hoogstwaarschijnlijk niet is gehaald.
En België? 11,9 % van de gemeenten met meer dan 10 000 inwoners. Ver achter Nederland (81 %), Denemarken (86,2 %) of Duitsland (63 %). Negen Belgische gemeenten op tien hebben nog altijd geen enkele energiegemeenschap op hun grondgebied.
Bron: Europese Rekenkamer, speciaal verslag 10/2026, figuur 7.
Wat ons hier interesseert, is niet de rangschikking. Het is de lijst van redenen. We komen ze elke week op het terrein tegen, en ons model is rond die redenen gebouwd.
Eerst een voetnoot die de moeite waard is
Onder de grafiek met de rangschikking staat een sterretje. Het Europese gemiddelde van 27,3 % is berekend "zonder Oostenrijk", omdat de TANDEM-databank die de auditeurs gebruikten geen locatiegegevens bevatte voor de Oostenrijkse energiegemeenschappen. Zonder geolocatie kan een gemeenschap niet aan haar gemeente worden gekoppeld, en kan dus geen dekkingsgraad worden berekend. Oostenrijk werd gewoon uit de berekening gehaald.
Nochtans is Oostenrijk wellicht het meest gevorderde land van Europa op dit vlak. Het EAG-monitoringrapport dat de Oostenrijkse regulator E-Control in 2025 publiceerde, telt 3 868 hernieuwbare-energiegemeenschappen medio 2025, tegenover 364 twee jaar eerder. Voor een land met ongeveer 2 100 gemeenten. Neder-Oostenrijk alleen al telt er 958.
De aanleiding was het Erneuerbare-Ausbau-Gesetz van 2021: een duidelijk wettelijk kader van bij de start, en vooral een verlaging van de nettarieven op lokaal gedeelde energie. Het kader blijft trouwens evolueren, met het nieuwe Elektrizitätswirtschaftsgesetz dat eind december 2025 in werking trad en waarvan de bepalingen over energiegemeenschappen gelden vanaf 1 oktober 2026.
Dus: het land met de hoogste dichtheid aan energiegemeenschappen van de Unie is precies het land dat de Rekenkamer niet kon meten, bij gebrek aan een bruikbaar register. Het is de perfecte illustratie van haar aanbeveling nr. 3, die de Commissie vraagt betere richtsnoeren te publiceren over de registratie en opvolging van gemeenschappen. En het relativeert de 27 % in beide richtingen: het gemiddelde sluit de beste leerling uit, maar de beste leerling is onzichtbaar in de Europese statistieken.
Wat de Rekenkamer als obstakels aanwijst
Vier dingen komen terug, en ze hangen samen.
Niemand begrijpt de definities. Twee Europese definities die elkaar gedeeltelijk overlappen: de hernieuwbare-energiegemeenschap aan de ene kant, de energiegemeenschap van burgers aan de andere. Twee van de vier gecontroleerde lidstaten gebruiken nationale begrippen die niet overeenstemmen met het Europese kader. En in de focusgroepen van de Rekenkamer vindt de helft van de deelnemers de definities van hun eigen land onvoldoende duidelijk. In Polen is dat 100 %.
Je hebt een expert nodig om er wijs uit te raken. Richtsnoeren bestaan, maar in Polen, Italië en Roemenië zijn ze versnipperd of moeilijk te gebruiken zonder externe hulp. Het Italiaanse geval spreekt het meest: de ondervraagde gemeenschappen vinden de documentatie gedetailleerd en goed gestructureerd, en zeggen toch een beroep te moeten doen op professionals om ze correct te interpreteren.
Er moet nog een extra rechtsstructuur worden opgericht. Kader 2 van het verslag, over appartementsgebouwen, is verhelderend. Een vereniging van mede-eigenaars kan niet als dusdanig als energiegemeenschap worden geregistreerd, omdat het lidmaatschap van een mede-eigendom verplicht is, terwijl dat van een gemeenschap vrijwillig en open moet blijven. Er moet dus een aparte rechtspersoon worden opgezet, naast die welke het gebouw al beheert. De Rekenkamer schrijft zwart op wit dat die verplichting een obstakel vormt, en vraagt de Commissie de opties tegen eind december 2026 te verduidelijken.
De netaansluiting sleept aan. De ondervraagde gemeenschappen melden gemiddeld 21 maanden wachttijd voor een netaansluiting. In Nederland loopt het gemiddelde op tot 36 maanden en één vastgesteld geval haalt 132 maanden. In 2024 wachtte daar meer dan 4 GW hernieuwbare capaciteit op een aansluiting, genoeg om drie miljoen mensen van stroom te voorzien.
Tel op: een vaag kader, een expert om te betalen, een vzw of coöperatie om op te richten, twee jaar wachten voor je produceert. Dat is de echte instapkost. En daarom zitten we aan 27 % (zonder Oostenrijk).
Wat we bij RaYSun doen
We vragen niemand een gemeenschap op te richten. Ze bestaan al.
CityWatt in Brussel, WalloWatt in Wallonië, SamenWatt in Vlaanderen. Het zijn operationele structuren, met producenten onder contract en energie die vandaag beschikbaar is. Bij een ervan aansluiten, dat is tekenen, niet oprichten.
Concreet, voor een verbruiker:
- Geen investering. Geen panelen te plaatsen, geen meter te vervangen, geen werken.
- Het bestaande leveringscontract blijft intact. We treden op als tweede leverancier op hetzelfde aansluitingspunt. Wanneer de gemeenschap niet kan leveren, neemt de historische leverancier automatisch over.
- Het gemeenschapstarief ligt contractueel vast, tot tien jaar, en het ligt lager dan het lopende contract. Het is geen product dat de markt volgt.
- Geen wachttijd voor een aansluiting, want we gebruiken het net en de meter die er al zijn.
En als u produceert, wat het geval is voor veel ondernemingen die panelen op hun dak legden zonder te weten wat ze met het overschot moesten doen:
- Uw installatie verandert niet. Ze blijft aangesloten zoals vandaag, op hetzelfde punt, met dezelfde meter.
- Het overschot dat u vandaag tegen een bodemprijs injecteert gaat naar geïdentificeerde verbruikers, tegen een contractueel tarief dat hoger ligt dan wat klassieke injectie u opbrengt. Als grootteorde: een injectie die bij een leverancier 30 tot 45 €/MWh waard is, stijgt in een gemeenschap naar ongeveer 60 €/MWh, terwijl de verbruiker aan de andere kant zakt van 200-150 naar 100-80 €/MWh. Het verschil tussen beide verdwijnt niet, het wordt kleiner, en beiden winnen erbij.
- Voor de rest blijft u vrij. Wat u zelf verbruikt, blijft zelfverbruik; wat de gemeenschap niet afneemt, vertrekt zoals voorheen.
Het verslag van de Rekenkamer behandelt gemeenschappen vooral als dragers van nieuwe productieprojecten, met de aansluitingstermijnen die daarbij horen. Dat is één lezing. De andere is dat er op de Belgische daken al megawatts staan waarvan het overschot tegen het injectietarief vertrekt bij gebrek aan een lokale afnemer. Die hebben geen enkele vergunning, geen enkele werf en geen enkele wachtrij nodig. Alleen iemand aan de overkant. Een ontmoeting.
Daarom zoeken we ook evenveel producenten als verbruikers: hoe meer van de enen, hoe beter voor de anderen.
Over de terugverdientijd herinnert de Rekenkamer eraan dat de Europese zonne-energiestrategie mikt op minder dan tien jaar, en stelt ze vast dat de geanalyseerde Nederlandse projecten tussen zes en twaalf jaar schommelen naargelang het jaar. In ons model stelt de vraag zich niet in die termen. De verbruiker investeert niets, dus hij hoeft niets terug te verdienen. De producent heeft al geïnvesteerd: de gemeenschap verkort zijn terugverdientijd. Win-win-win.
Het punt uit het verslag waar niemand over spreekt, en dat het belangrijkste is
In punt 74 schrijft de Rekenkamer iets dat weinig mensen opmerken. Opdat gemeenschappen het net echt zouden ontlasten, moet de geproduceerde energie lokaal en in realtime worden verbruikt, op de seconde. En ze voegt eraan toe dat dit doorgaans niet het geval is, omdat zonne-energie rond de middag wordt geproduceerd terwijl het verbruik piekt in de vroege ochtend en de vooravond.
Dat is precies het probleem waar wij onze dagen mee vullen.
We zetten producenten en verbruikers niet zomaar in hetzelfde vakje. We simuleren, op het reële verbruiksprofiel van elke kandidaat, het volume dat we hem effectief kunnen toewijzen. Daarom zoeken we bij voorkeur entiteiten (publiek, privaat, gemengd) die overdag of in het weekend verbruiken, eerder dan 's nachts. Een goed lid van een gemeenschap is niet alleen een grote verbruiker of een grote productie: het is een verbruiker wiens curve lijkt op die van de productie.
Dezelfde logica geldt voor flexibiliteit en opslag, het onderwerp van aanbeveling nr. 6 van het verslag. De Nederlandse en Poolse netbeheerders zeiden de auditeurs dat ze hernieuwbare projecten met vraagsturing, lastverschuiving of opslag sneller zouden aansluiten, omdat dat de congestie vermindert. Een goed opgebouwde gemeenschap is een virtuele batterij: wat hier wordt geproduceerd, wordt hier verbruikt.
Waar we weigeren te doen alsof
Het verslag bevat een kritiek die we ernstig nemen. De Rekenkamer waarschuwt, net als het Europees Economisch en Sociaal Comité, voor het risico dat ondernemingen of gemeenten gemeenschappen oprichten met als enig doel voordelen binnen te halen, zonder echte lokale deelname. Het Poolse cijfer is hard: in een willekeurige steekproef van twintig coöperaties telden er maar twee burgers onder hun leden, en de geregistreerde coöperaties tellen gemiddeld drie of vier leden elk.
Onze kernactiviteit is B2B, en daar staan we voor. Maar een gemeenschap die alleen waarde laat circuleren tussen institutionele spelers mist haar doel. Daarom moet het delen gepaard gaan met een duidelijke missie van educatie, sensibilisering en pleitbezorging voor een rechtvaardige transitie. Bij RaYSun nemen we dat deel op door discussies over deze thema's te organiseren of eraan deel te nemen, waar iedereen welkom is en zijn plaats heeft. Alleen al in de komende weken:
- gaan we in Namen onze tool voor industriële spelers voorstellen;
- gaan we naar Ukkel, bij Quartier Libre (coöperatie), om te luisteren naar geëngageerde burgers;
- zijn we in Brussel, waar we in gesprek gaan met de politiek en de Brusselse regulator;
- en gaan we voor het einde van het jaar naar Vlaanderen, om te praten met wie wil delen.
Tot slot een woord over een debat dat het verslag opent en dat in België al beslecht is. De Rekenkamer vreest dat, naarmate zelfverbruik en delen zich ontwikkelen, een groeiend deel van de netkosten wordt gedragen door de verbruikers die er geen toegang toe hebben, doorgaans de minst welgestelde gezinnen, en merkt op dat geen van de vier gecontroleerde landen dat effect formeel heeft beoordeeld. In België, behalve in Brussel, zijn de netkosten en heffingen gereguleerd en gelden ze voor iedereen, energiegemeenschappen inbegrepen. Onze besparing komt dus niet van een vrijstelling. Ze komt van het verschil tussen wat een producent krijgt voor zijn injectie en wat een verbruiker betaalt voor dezelfde elektriciteit, een verschil dat we in het voordeel van beiden verkleinen.
Tot slot
De Rekenkamer beveelt de Commissie aan de regels tegen eind 2026 te verduidelijken en tegen eind 2027 eindelijk meetbare doelstellingen vast te leggen. Prima. Maar een Belgische verbruiker hoeft niet te wachten tot 2027 om zijn elektriciteit goedkoper te betalen.
Kom deze cijfers doen groeien:
- 4 deeloperaties in Vlaanderen;
- 10 operaties in Wallonië;
- 5 in Brussel.
In totaal is dat bij RaYSun 60 GWh uitgewisseld per jaar en 102 gemeenten gedekt in de drie gewesten. De mechaniek werkt al.
Als uw vereniging, uw burgercollectief, uw onderneming of uw gemeente meer dan 50 MWh per jaar verbruikt, en vooral overdag, dan neemt een simulatie op uw reële profiel enkele minuten.
En als u panelen heeft waarvan het overschot vandaag tegen het injectietarief vertrekt, laat het ons weten. Dat is precies wat we willen plaatsen.
Bronnen
- Speciaal verslag 10/2026 van de Europese Rekenkamer, "Energiegemeenschappen – Een potentieel dat nog moet worden benut", aangenomen op 11 februari 2026, beschikbaar op eca.europa.eu. Gebruikte verwijzingen: realisatiegraad van de doelstelling en rangschikking per land (punten 06, 10, 39-40 en figuur 7); uitsluiting van Oostenrijk (noot bij figuur 7); definities en ervaren duidelijkheid (punten 17-23 en figuur 4); richtsnoeren moeilijk bruikbaar zonder expert (punten 50-57); appartementsgebouwen (kader 2 en aanbeveling nr. 1); aansluitingstermijnen (punten 67-72 en figuur 11); verbruik in realtime en flexibiliteit (punten 74-76 en aanbeveling nr. 6); terugverdientijden (punten 77-86 en figuur 13); deelname van burgers (punten 58-66); effect van tariefverlagingen op andere verbruikers (punten 84-85).
- Europese doelstelling: Europese Commissie, EU-strategie voor zonne-energie, COM(2022) 221.
- Wettelijk kader energiegemeenschappen: richtlijn (EU) 2018/2001 (RED II) en richtlijn (EU) 2019/944 (interne elektriciteitsmarkt).
- Oostenrijkse cijfers: E-Control, EAG-monitoringrapport 2025 (3 868 hernieuwbare-energiegemeenschappen medio 2025, tegenover 364 medio 2023; verdeling per deelstaat). Zie de synthese van Wiener Stadtwerke en het portaal van E-Control.
- Oostenrijks kader: Erneuerbare-Ausbau-Gesetz (EAG, 2021); Elektrizitätswirtschaftsgesetz (ElWG), in werking sinds 24 december 2025, bepalingen over energiedelen en energiegemeenschappen van toepassing vanaf 1 oktober 2026, met overdracht van bestaande structuren zonder heroprichting. Zie het officiële portaal energiegemeinschaften.gv.at en de juridische analyse van CMS Austria.
- Cijfers RaYSun: interne gegevens, september 2026.